RB regelaar input type event regeling PID communicatie instellen

De instellingen van de RKC Instrument RB serie regelaar is het eenvoudigst uit te voeren met de COM-KG configuratie tool in combinatie met de gratis PROTEM2 software (deze software bevat ook functionaliteit voor grafische trending voor PID regeling optimalisatie).

Deze online instructie toont hoe instellingen handmatig via het RB display aangepast kunnen worden. Ook worden korte instructievideo’s getoond om het instellen makkelijker te maken.

Van elke parametergroep wordt kort beschreven wat de parameters betekenen.

  • meetingang type voor sensor: configuratie meetingang (parameter groep F21). Voorbeeld: thermokoppel type K (0-400°C) 
  • event / alarm (optioneel): instellingen voor event 1  (parameter groep F41). Voorbeeld: warmtevraag/heat demand HD signaal voor branderbesturing
  • PID regelactie: verwarmen=indirect / koelen=direct (parameter groep F51)
  • PID regelaar instellingen: P, I en D waardes, cyclustijd,  finetuning, etc.
  • eenvoudig ramp/soak profiel uitvoeren met 4 gewenste temperaturen met de timer functies (bijvoorbeeld voor een simpel warmtebehandeling/PWHT profiel)
  • retransmissie uitgang: (optioneel) extra analoge uitgang (parameter groep F33) voor het zenden van interne RB waardes voor regeluitgang (MV) voor het moduleren van een branderbesturing, gemeten temperatuur (PV) of gewenste temperatuur (SV) naar slave(s), recorder, indicator etc.
  • communicatie (optioneel): ASCII/ModBUS protocol, baudrate, adres, databits, parity (parameter groep F60). Standaard instellingen voor de FryManager applicatie.

– Brochure RB series
– Nederlandstalige korte bedieningshandleiding RB serie
– Instruction manual RB series
Communication manual RB series

beschikbaar in alle afmetingen

Uitleg over de bedieningsknoppen op het RB regelaar display

RKC Instrument RB temperature controller

Als voorbeeld wordt de RB100 getoond, de andere grotere versies van de RB regelaar zijn op dezelfde manier te bedienen.

In deze online instructie zullen we gebruik maken van de 4 onderste knoppen op de RB regelaar. Hiermee kunnen we waardes in de regelaar veranderen:

  • <R/S knop: het knipperende getal geeft aan welk deel van de waarde kan worden aangepast. Door op de <R/S knop te drukken wordt een ander getal gekozen. Opmerking: deze knop wordt ook gebruikt om de regelaar om te schakelen van run naar stop en vice versa.
  • \/ en /\ knoppen: worden gebruikt om de knipperende waarde te verlagen of verhogen.
  • SET knop: de waarde die is veranderd met de \/ en /\ knoppen is nog niet opgeslagen. Om de waarde op te slaan moet binnen 1 minuut na het wijzigen van de waarde op de SET knop worden gedrukt. Hierdoor wordt de nieuwe waarde opgeslagen en het display zal verder gaan met de volgende parameter.

De 1e stap: schakel de RB regelaar in de parameter instellingen toegestaan modus

Normaliter zijn de zogenaamde engineering parameters (groepen met F parameters) beveiligd zodat ze niet per ongeluk veranderd kunnen worden. Om het toch mogelijk te maken om deze instellingen te kunnen wijzigen, moet de mode parameter van de regelaar gewijzigd worden van 0 (beveiligd: geen parameter wijziging mogelijk) naar de waarde 0128 (parameter wijzigen toegestaan). Daarna moet de regelaar in STOP modus (regeling niet actief) worden geschakeld. Alleen met deze 2 instellingen is het mogelijk om de engineering parameters in de F groepen van de regelaar aan te passen.

  • Schakel de voeding op de regelaar in, en wacht totdat de gemeten temperatuur (tip: de regelaar toont eerst de instelling van de meetingang en het meetbereik)
  • Ga naar de engineering mode door gelijktijdig de beide SET en <R/S knoppen ingedrukt te houden. U dient deze knoppen meer dan 4 seconden ingedrukt te houden.
  • F00 zal verschijnen: ga naar het ModE scherm door 3x op de SET toets te drukken.
  • Gebruik de <R/S knop om het juiste getal te kiezen en de /\ en \/ knoppen om deze te wijzigen van 0000 (parameters wijzigen niet toegestaan) naar 0128 (parameters wijzigen toegestaan).
  • Druk de SET knop: R/S (run/stop) verschijnt: wijzig de waarde naar 1 (stop) om de regelaar in stop modus te schakelen.
  • Druk op de SET knop: het display met F00 zal weer verschijnen. De regelaar bevindt zich nu in de instellingen wijzigen toegestaan modus.
sta het wijzigen van instellingen toe op de RB regelaar
Het toestaan van engineering parameters (F groepen) wijzigen op Uw RKC Instrument RB regelaar
Belangrijke opmerking: parameters wijzigen weer blokkeren na het doen van aanpassingen

Na het wijzigen van de instellingen van de regelaar is het verstandig om ModE weer terug te zetten naar 0000. Dit voorkomt het per ongeluk wijzigen van parameters.

Voorbeeld: wijzig de meetingang naar thermokoppel type K 0-400°C

Na het in stop zetten van de regelaar, en het mogelijk maken om engineering parameters aan te passen (ModE:0128), kunt U de meetingang van de regelaar (parameter groep F21) wijzigen. Deze procedure wordt ook beschreven in hoofdstuk 5.1 Initial Setting van het instruction manual.

Instel procedure voor F21 type meetingang
  • Stop de regelaar door langer dan 4 seconden op de <R/S knop te drukken (alleen nodig als de groene lamp boven STOP niet is ingeschakeld)
  • Druk langer dan 4 seconden tegelijkertijd op  de SET en de <R/S knop. U krijgt nu toegang tot het F00 instelling menu voor de engineering parameters.
  • Druk op de /\ knop totdat F21 verschijnt (parameter groep voor het instellen van de meetingang)
  • Druk SET: INP verschijnt. Kies waarde 0000 voor thermokoppel type K -199.9 tot +400.0°C (voor andere types: zie tabel hieronder)
  • Druk SET om de nieuwe waarde op te slaan. Daarna verschijnen andere parameters.
  • PGdP: het aantal cijfers na de komma (0=geen)
  • BoS: meetwaarde bij open meetingang. Instelling 0000: gemeten waarde gaat naar  maximale waarde: meetwaarde gaat naar maximum waarde als de meetingang open is. Bij een verwarmingsproces is dit de veiligste optie (de verwarming schakelt zichzelf automatisch uit als de meetingang open gaat, bijvoorbeeld bij een open thermokoppel). Instelling 0001: gemeten waarde gaat naar minimale waarde (0001): meetwaarde gaat naar minimum waarde in het geval van een open meetingang.
  • PGSH: maximale meetwaarde (maximale waarde van het meetbereik)
  • PGSL minimale meetwaarde (minimale waarde van het meetbereik)
  • SLH: maximale instel limiet voor gewenste waarde (maximale toegestane gewenste temperatuur die kan worden ingesteld)
  • SLL: minimale instel limiet voor gewenste waarde (minimale toegestane temperatuur die kan worden ingesteld)
  • dSoP: hier kan worden ingesteld of de gemeten waarde (PV=process value) moet knipperen (waarde 0000) of niet knipperen (0001) in het geval van een storing op de meetingang (bijvoorbeeld een open meetingang/thermokoppel)

Nadat U op SET heeft gedrukt bij de dSoP instelling, verschijnt weer de eerste parameter in de F21 parameterlijst.

Terugkeren naar het normale bediening display
  • Druk tegelijkertijd op SET en <R/S om terug te keren naar het normale bediening display.
  • Vergeet niet om de regelaar weer in run modus te schakelen door enkele seconden op de <R/S (run/stop) knop te drukken.
  • Vergeet niet om ModE weer terug naar 0000 te zetten zodat parameters niet per ongeluk kunnen worden aangepast.
measurement input settings change in RKC Instrument RB controller parameter group F21
Parametergroep F21 voor konfiguratie van de meetingang
Mogelijke instellingen voor de meetingang en hun meetbereiken
RKC RB controller input type selections
thermokoppel en RTD/Pt100 types in °C of °F
spanning en stroom meetingangen
  • Stel geen ander nummer in dan wat in deze tabel staat: dit kan een storing veroorzaken.
  • Let op: als het meetingang type wordt gewijzigd, worden ook de instellingen voor de decimale punt, maximale meetwaarde en minimale meetwaarde teruggezet naar de standaard instellingen voor dat type meetingang.
  • sluit een 250 ohm shunt weerstand aan op punten 11 en 12 voor een stroom meetingang (0/4-20mAdc).
Belangrijke opmerking voordat U onderstaande instructievideo probeert uit te voeren m.b.t. het instellen van de meetingang

Schakel eerst de RB regelaar in parameter instellingen toegestaan modus voordat U de instructievideo probeert uit te voeren. Zie de 1e stap 

Voorbeeld: wijzig het event type naar een deviatie laag alarm (type 2) voor een brander warmtevraag / heat demand (HD) signaal

  • De meeste branders hebben een hardwarematig startsignaal nodig die de veiligheids-spoelprocedure start en daarna een ontsteekpoging uitvoert, gevolgd door een vlamdetectie. Hierna wordt de hoofdbrander daadwerkelijk gestart, waarna modulatie plaats vindt middels een hoog/laag of analoog (0-100%) modulatie signaal.
  • Voor dit startsignaal is een potentiaalvrij relaiscontact nodig dat gesloten wordt wanneer de gewenste temperatuur zich boven de gemeten temperatuur bevindt. Op deze manier wordt de brander automatisch uitgeschakeld wanneer de temperatuur hoger is dan de gewenste waarde.
  • De volgende procedure beschrijft hoe event 1 in parameter groep F41 geconfigureerd dient te worden voor een warmtevraag/heat demand (HD) signaal. Event 1 bestuurt het DO1 relaiscontact van de RB regelaar.
  • Vergeet niet de DO1 uitgang optie te selecteren wanneer U de regelaar bestelt.

Na het in stop zetten van de regelaar, en het mogelijk maken om engineering parameters aan te passen (ModE:0128), kunt U de event 1 parameters (parameter groep F41) wijzigen. Deze procedure wordt ook beschreven in hoofdstuk 5.1 Initial Setting van het instruction manual.

Instel procedure voor F41 event 1 configuratie
  • Stop de regelaar door langer dan 4 seconden op de <R/S knop te drukken (alleen nodig als de groene lamp boven STOP niet is ingeschakeld)
  • Druk langer dan 4 seconden tegelijkertijd op  de SET en de <R/S knop. U krijgt nu toegang tot het F00 instelling menu voor de engineering parameters.
  • Druk op de /\ knop totdat F41 verschijnt (parameter groep voor het instellen van event 1)
  • Druk SET: ES1 event 1 type verschijnt. Voor een warmtevraag / heat demand (HD) signaal hebben we een deviatie laag alarm: 0002 nodig (zie voor andere types de onderstaande tabel). Met een deviatie laag alarm wordt de afwijking tussen gemeten temperatuur PV en gewenste temperatuur SV gebruikt om event 1 te besturen. Wanneer de gemeten temperatuur zich onder de gewenste temperatuur bevindt, zal event 1 worden geactiveerd. Event 1 zal op vervolgens relaiscontact DO1 aansturen.
  • Druk SET om de nieuwe waarde op te slaan. Daarna verschijnen andere parameters.
  • EHo1: event vasthouden actie: gebruik voor een warmtevraag/heat-demand (HD) signaal 0000 (niet vasthouden).
  • EH1: event 1 hysterese (differential gap). Deze parameter is een kleine temperatuur band rond de temperatuur instelling van het event schakelpunt. Deze temperatuurband is een hysterese die voorkomt dat het event te snel aan/uit schakelt. Stel het in op 0 (0°C) voor geen hysterese. Een kleine hysterese van 1-2°C wordt geadviseerd voor het DO1 relaiscontact om te voorkomen dat het te vaak schakelt.
  • Ebo1: met deze instelling kunt U event 1/relaiscontact DO1 ook laten schakelen bij een open thermokoppel, zet in dit geval deze instelling op 0004 (schakel DO1 warmtevraag/heat demand uit bij te lage meting of te hoge meting met een open thermokoppel). Gebruik de waarde 0000 voor een normaal warmtevraag/heat demand (HD) signaal.
  • EXC1: deze instelling bepaalt hoe het relaiscontact wordt geschakeld. 0000: het DO1 relaiscontact wordt gesloten als event 1 actief is. 0001: het DO1 relaiscontact wordt gesloten als het event 1 niet actief is. Voor een normaal warmtevraag/heat demand (HD) signaal dient U deze waarde op 0000 in te stellen.
  • EVT1: event 1 timer. Met deze tijd instelling kan het actief worden van event 1 (en daarmee het DO1 relaiscontact) worden vertraagd. Gebruik voor een normaal warmtevraag/heat demand (HD) signaal 0 seconden.
  • E1L1: event 1 interlock. Als een event optreed kan het intern worden vastgehouden (event interlock actief) om zo het verwarmingsproces in een veilige stand te parkeren. Dit kan alleen worden gereset door de regelaar uit en weer in te schakelen, of via de communicatie. Voor een normaal warmtevraag/heat demand (HD) signaal, dient deze waarde op 0000 (event interlock niet actief) te worden ingesteld. Stel deze waarde voor een maximaal temperatuur alarm wel in op 0001 (event interlock actief) om te voorkomen dat het alarm automatisch wordt gereset nadat de maximale temperatuur is overschreden.

Nadat U op SET heeft gedrukt bij de E1L1 instelling, verschijnt weer de eerste parameter in de F parameterlijst.

Omdat de event instellingen vele mogelijkheden bieden, adviseren we U om het desbetreffende hoofdstuk wat de parameter functie groep F41: event 1, F42: event 2, F43: event3 en F44: event4 in meer detail beschrijft, te lezen. U vindt dit in het “instruction manual” op blz. 8-101 en de daarop volgende pagina’s.

Terugkeren naar het normale bediening display
  • Druk tegelijkertijd op SET en <R/S om terug te keren naar het normale bediening display.
  • Vergeet niet om de regelaar weer in run modus te schakelen door enkele seconden op de <R/S (run/stop) knop te drukken.
  • Vergeet niet om ModE weer terug naar 0000 te zetten zodat parameters niet per ongeluk kunnen worden aangepast.
RKC Instrument RB event and alarm configurion in F41
Parametergroep F41 voor konfiguratie van event 1 / alarmoutgang relaiscontact DO1
Mogelijke keuzes voor het schakelen bij temperatuur afwijkingen
RKC Instrument RB controller event and alarm types
Mogelijke configuraties voor event type
  • Kies 2: deviatie laag voor een brander warmtevraag/heat demand HD signaal.
  • Kies 9: proceswaarde hoog voor een maximum temperatuur alarm
Vergeet niet om de temperatuur instelling voor het schakelpunt van event 1 (event 1 setvalue) te wijzigen van 50°C (standaard instelling) naar 0°C

Na het wijzigen van het event type in F41, wordt het schakelpunt voor event 1 (event 1 setvalue), dit is het temperatuur schakelpunt voor het alarm/event, door de regelaar standaard ingesteld op 50.0°C. Deze instelling wordt gebruikt om te bepalen of het event wel/niet actief is. In geval van een deviatie laag alarm, dient het verschil tussen PV (gemeten temperatuur) en SV (gewenste temperatuur) deze waarde (in dit geval 50.0°C) overschreden te worden om event 1 / DO1 relaiscontact te activeren.

Omdat we een warmtevraag/heat demand (HD) signaal nodig hebben voor een brander, moeten we deze standaard waarde wijzigen van 50.0°C naar 0.0°C. Alleen dan zal de brander inschakelen als de gemeten temperatuur (PV) lager is dan de gewenste temperatuur (SV), en vice versa.

Voor een maximum temperatuur alarm, dient U dit event 1 schakelpunt (event 1 setvalue) in te stellen op de maximaal toegestane temperatuur van het proces. Vergeet voor een maximum temperatuur alarm ook niet de F41:E1L1 event interlock parameter op 0001 (event interlock actief) in te stellen. Alleen dan wordt het verwarmingsproces uitgeschakeld bij een overschrijding van maximale temperatuur, en blijft het ook uitgeschakeld. Deze interlock kan alleen gereset worden door de regelaar uit te schakelen en weer in te schakelen, of via het zenden van een commando via de ModBUS communicatie.

Keer eerst terug naar het normale bediening scherm van de regelaar
  • Druk tegelijkertijd op SET en <R/S om terug te keren naar het normale bediening display.
  • Vergeet niet om de regelaar weer in run modus te schakelen door enkele seconden op de <R/S (run/stop) knop te drukken.
  • Vergeet niet om ModE weer terug naar 0000 te zetten zodat parameters niet per ongeluk kunnen worden aangepast.
  • Op het normale bedieningsscherm: druk langer dan 2 seconden op SET
  • EV1 event 1 setvalue zal nu verschijnen: wijzig de standaard waarde van 50.0°C naar 0.0°C en druk op SET.
  • Druk langer dan 2 seconden op SET en het normale bedieningsscherm zal weer verschijnen. Het schakelpunt voor het event (event 1 setvalue) is nu correct ingesteld op 0.0°C voor een warmtevraag/heat-demand (HD) signaal voor een brander besturing.

Opmerking: het schakelpunt voor event 1 (event 1 setvalue) kan in een RB regelaar worden ingesteld met de regelaar in run status.

Belangrijke opmerkingen m.b.t. event 1 / DO1 relaisuitgang maximale spanning / stroom schakel capaciteit

Belangrijke opmerking: het door event 1 bestuurde DO1 relaiscontact zal alleen schakelen met de regelaar in run status. In stop status wordt het niet aangestuurd en zal het DO1 relaiscontact uit blijven.

U kunt met de oranje led boven de DO1 indicator zien of de DO1 relaisuitgang wordt aangestuurd.

Belangrijke opmerking m.b.t. de relaiscontacten: Deze relaiscontacten zijn gespecificeerd voor maximaal 250Vac 1A en maximaal 30Vdc 0.5A. Het wordt ten zeerste aangeraden om extra interface relais te gebruiken en de relaiscontacten van de regelaar alleen te gebruiken om deze interface relais te besturen. Dit verhoogt de levensduur van de relais in de RB en de regelaar als geheel substantieel.

De DO1 LED geeft de status van event 1 en het DO1 relaiscontact weer
Analoge uitgang voor brander modulatie

Voor een modulerende brander besturing heeft U, naast het warmtevraag/heat demand (HD) signaal, ook een analoog regelsignaal uit de PID regelaar nodig om de brander te moduleren. Hiervoor wordt de 2e analoge uitgang OUT2 (retransmission output) gebruikt om het PID regelaarsignaal (MV:manipulated value) door te sturen. Deze uitgang OUT2 wordt vervolgens aangesloten op de modulatie ingang van de branderbesturing.

Zie de parameter groep F33 voor het instellen van deze 2e analoge uitgang OUT2.

Let op: deze 2e analoge uitgang is optioneel en moet gekozen worden bij het bestellen van de RB regelaar.

Belangrijke opmerking voordat U onderstaande instructievideo probeert uit te voeren m.b.t. het instellen van het event / alarm type voor de branderbesturing

Schakel eerst de RB regelaar in parameter instellingen toegestaan modus voordat U de instructievideo probeert uit te voeren. Zie de 1e stap 

Voorbeeld: de regelactie instellen voor een verwarmingsproces of koelproces

We hebben 2 soorten temperatuur procesregeling:

  • indirecte regelactie: wanneer de gemeten temperatuur stijgt, moeten we de uitgang die de verwarming aanstuurt van het proces verminderen. Dit is vaak een proces dat een electrische verwarming aanstuurt, met als terugkoppeling een temperatuur meting.
  • directe regelactie: wanneer de gemeten temperatuur stijgt, moeten we de uitgang die de koeling aanstuurt van een proces  verhogen (bijvoorbeeld koelgenerator sneller later draaien om de temperatuur te doen dalen). Dit is vaak een koelproces waar de regelaar de koelunit aanstuurt met als terugkoppeling een temperatuur meting.

Parameter groep F51 wordt gebruikt om het gedrag en de regelactie van de temperatuur regelaar in te stellen.

Opmerking: er zijn ook RB regelaars beschikbaar voor zogenaamde heat/cool processen. Specificeer dit bij het bestellen van de RB regelaar, omdat de hardware parameters van de regelaar hiervoor correct moeten worden ingesteld door de leverancier.

Na het in stop zetten van de regelaar, en het mogelijk maken om engineering parameters aan te passen (ModE:0128), kunt U de instellingen voor de regelactie (parameter groep F51) wijzigen. Deze procedure wordt ook beschreven in hoofdstuk 5.1 Initial Setting van het instruction manual.

Instel procedure voor F51 regelactie configuratie
  • Stop de regelaar door langer dan 4 seconden op de <R/S knop te drukken (alleen nodig als de groene lamp boven STOP niet is ingeschakeld)
  • Druk langer dan 4 seconden tegelijkertijd op  de SET en de <R/S knop. U krijgt nu toegang tot het F00 instelling menu voor de engineering parameters.
  • Druk op de /\ knop totdat F51 verschijnt (parameter groep voor het instellen de regelactie)
  • Druk SET: oS regelactie verschijnt. Met deze parameter kan de regelactie worden ingesteld op direct (0000) voor een koelproces, of indirect (0001) voor een verwarmingproces.
  • Druk SET om de nieuwe waarde op te slaan. Daarna verschijnen andere parameters.
  • oHH: aan/uit actie  hysterese (temperatuur afwijking hysterese bovenkant instelling) in °C
  • oHL: aan/uit actie  hysterese (temperatuur afwijking hysterese onderkant instelling) in °C
  • obo: met deze waarde kan de regeluitgang bij een open meetingang (burnout, open thermokoppel) worden ingesteld. 0000: de regeluitgang wordt op de normale manier berekend met gebruikmaking van de PV (gemeten temperatuur) en SV (gewenste temperatuur). 0001: de regeluitgang wordt op een gelimiteerde waarde gezet (uitgang wordt uitgeschakeld).
  • bUMP: hiermee kan de waarde van de regeluitgang worden ingesteld wanneer wordt overgeschakeld van normale automatische PID regeling naar handmatige uitsturing van de regeluitgang. 0000: geen geleidelijke omschakeling, de nieuwe handmatige uitgang waarde  wordt direct naar de regeluitgang gestuurd. 0001: geleidelijke omschakeling: de laatste waarde van de regeluitgang wordt genomen als uitgangspunt wanneer wordt omgeschakeld naar handmatige uitsturing van de regeluitgang.
  • dRP: derivatieve regelactie. Deze parameter kiest het type deviatie die wordt gebruikt door de PID regelaar. Hetzij gebaseerd op veranderingen in het verschil tussen de PV (gemeten waarde) en de SV (gewenste waarde) of een verandering in de toename of afname van de afwijking tussen PV (gemeten waarde) en SV (gewenste waarde). Dit is een fijnafstelling voor snelle regelprocessen.
  • RU: tijd instelling van de proportionele cyclustijd. Laat deze waarde op de standaardwaarde staan.

Nadat U op SET heeft gedrukt bij de E1L1 instelling, verschijnt weer de eerste parameter in de F parameterlijst.

Voor meer uitleg verwijzen we naar de gedetailleerde beschrijving van functieblok 51 op bladzijde 8-124 van het instruction manual.

Terugkeren naar het normale bediening display
  • Druk tegelijkertijd op SET en <R/S om terug te keren naar het normale bediening display.
  • Vergeet niet om de regelaar weer in run modus te schakelen door enkele seconden op de <R/S (run/stop) knop te drukken.
  • Vergeet niet om ModE weer terug naar 0000 te zetten zodat parameters niet per ongeluk kunnen worden aangepast.
Parametergroep F51 voor de konfiguratie van de regelactie

Voorbeeld: PID regelparameters en regelgedrag aanpassen

  • De instellingen voor de proportionele band, integratietijd en differentiatietijd worden gebruikt om het regelgedrag van de PID regelaar als gevolg van variaties in de PV (gemeten waarde) en SV (gewenste waarde) te verfijnen
  • Een betere afstelling van deze parameters leidt tot een proces met minder afwijkingen boven of onder de gewenste waarde (minder overshoot/undershoot) bij procesveranderingen.
  • De automatische tuning (AT:autotuning) kan ook gebruikt worden, mits Uw proces dit ook daadwerkelijk zonder schade toelaat. Er worden namelijk enkele cycli met maximale uitsturing van het de regeluitgang (100%) en minimale uitsturing van de regeluitgang (0%) uitgevoerd om hiermee afhankelijk van de procesreactie (variërende PV meetwaarde) de PID parameters te berekenen. 
  • Verdere handmatige PID afstelling kan nodig zijn na een autotuning procedure om het best mogelijke regelgedrag te benaderen.

De PID instellingen kunnen veranderd worden met de RB regelaar in run modus.

Opmerking: zie hoofdstuk 8 in het instruction manual voor verdere uitleg van iedere parameter.

Vanuit het normale bedieningsscherm naar de PID instellingen

Opmerking: de volgende lijst bevat diverse parameters die afhankelijk zijn van de opties die U met Uw specifieke RB regelaar heeft besteld. Hierdoor zullen bepaalde parameters wel/niet verschijnen.

Druk langer dan 2 seconden op de SET knop. EV1 (event 1 schakelpunt instelling) zal nu verschijnen.

Druk op SET totdat ARU verschijnt. Afhankelijk van de aanwezige opties in de RB regelaar zullen er 0 tot en met 4 events kunnen worden getoond.

Opmerking: de hierop volgende parameters verschijnen door het drukken op de SET knop

Voorzichtig gebruiken: automatische detectie van de PID parameters

De volgende instellingen zijn voor het automatisch detecteren van de regelparameters. Gebruik deze automatische tuning (AT:autotuning) alleen als Uw proces het toestaat dat de regeluitgang continu 100% en 0% stuurt naar Uw proces. Grote temperatuurafwijkingen boven of onder de gewenste temperatuur kunnen optreden. Hierdoor zou een gevaarlijke situatie kunnen ontstaan in Uw proces. Er is een goed detecteerbare en reproducerende variatie in het PV meetsignaal nodig om automatisch de PID waardes te berekenen.

  • ARU: met deze instelling wordt de automatische detectie van PID parameters (AT:autotuning) geactiveerd. 0: normale PID regeling 1:autotuning procedure starten (doe dit alleen als Uw proces enkele cycli met een regeluitgang van 100% en 0% toestaat). Na enkele cycli met een goed detecteerbare variërende en reproducerende temperatuur meting zullen de PID parameters automatisch berekend worden. Wanneer dit niet het geval is blijven de originele instellingen overanderd. Normaal moet deze waarde op 0 staan: normale PID regeling.
  • STU: verfijning regelgedrag bij opstarten (startup tuning). Met deze instelling kan het opstarten van het proces worden verbeterd. 0: ongebruikt, 1:voer tuning 1x uit 2:voer tuning altijd uit. Normaal moet deze waarde op 0 staan voor een normale PID regeling.
Instellingen voor PID regelgedrag
  • P: de proportionele band van de regelaar (verwarming zijde) in °C. Dit is de temperatuur band rond de gewenste temperatuur waarbinnen de regeluitgang gemoduleerd wordt van 0 tot 100%.
  • I: integratie tijd in seconden. Deze actie integreert het verschil tussen PV (meetwaarde) en SV (gewenste waarde) over de tijd, en regelt langzaam het verschil tussen PV en SV weg. Normaal gesproken is deze tijd de vertragingstijd van het proces zelf (responsetijd) die hier dient te worden ingesteld.
  • D: differentiatie tijd in seconden. Deze parameter wordt gebruikt om snelle kortstondige variaties tussen PV (meetwaarde) en SV (gewenste waarde) op te vangen. Het wordt gebruikt om zogenaamde overshoot/undershoot van de temperatuur te onderdrukken. Als vuistregel dient deze waarde ongeveer op 25% van de integratietijd te worden ingesteld.
Verfijnen van het regelgedrag

De volgende parameters zijn voor het verdere verfijnen van het regelgedrag, nadat de juiste “normale” PID regelparameters zijn vastgesteld:

  • ARW: anti reset waarde (anti-reset windup). Deze waarde in % van de propotionele band limiteert het integratie effect en voorkomt een overshoot. Standaard waarde is 100%.
  • Pc: proportionele band van de koelzijde van de regelaar (wanneer koeling aanwezig is) in % van de proportionele band van de verwarmingskant. Standaard waarde is 100%
  • db: dit is de overlap/dode band van de beide proportionele banden (heat/cool: alleen wanneer koeling aanwezig is). Standaard waarde is 0 (0.0): geen dode band tussen beide proportionele banden.
  • PRU: fijnafstelling regeling. Met deze parameter kan de operator de reactiesnelheid van het regelgedrag wijzigen zonder de PID instellingen te veranderen. Instelbaar van -3 (langzame reactie) tot +3 (snelle reactie). Standaard waarde is 0 (geen fijnafstelling).
Instellingen voor de verwarmings element breuk (heater break) / regellus onderbroken (control loop break) detectie (optioneel: specificeren bij bestelling)

De volgende parameters zijn voor de verwarmings element breuk (heater break alarm HBA) en regellus onderbroken (control loop break) detectie. Het HBA alarm kan alleen worden gebruikt met een tijd-proportionele regeluitgang (relais uitgang/voltage pulse uitgang). Deze optie, inclusief stroom meet trafo voor het verwarmingselement (current transformer CT) moet worden gespecificeerd wanneer een nieuwe regelaar wordt besteld:

  • HbA: instelling in Ampere voor de breuk detectie van het verwarmingselement (wanneer optie aanwezig is)
    • Zet deze waarde op 85% van de maximale uitlezing van de stroom meting (CT meetingang)
    • Zet deze waarde naar een nog lagere waarde om een valse breuk melding te krijgen in geval van een onstabiele spanningsvoorziening.
    • Wanneer meer dan 1 verwarmingselementen parallel zijn geschakeld moet deze HBA instelling verhoogd worden voor de detectie van een afwijking op 1 enkel verwarmingselement. 
    • De standaard waarde is 0.0A
  • LbA: tijdinstelling in seconden voor het regellus breuk detectie alarm (wanneer optie aanwezig is). Dit “control loop break alarm” LBA wordt gebruikt voor detectie van een:
    • breuk in de belasting (verwarmings element breuk)
    • storing in de externe actuator (vermogensregelaar, electromagnetisch relais etc.)
    • storing met de meetingang (sensor breuk)

De LBA detectie wordt geactiveerd wanneer de regeluitgang MV een waarde bereikt van:

    • 0% (of waarde van minimale regeluitgang instelling)
    • 100% (of waarde van maximale regeluitgang instelling)

Het LBA alarm bewaakt de variatie van de gemeten waarde (PV) gedurende de lengte van de ingestelde LBA tijd parameter. Wanneer de LBA tijd is verstreken en de gemeten waarde PV is nog steeds binnen de alarm detectie band, zal het LBA alarm worden geactiveerd. De standaard waarde is 480 seconden.

  • Lbd: dode band voor de regellus breuk detectie in °C rond de gewenste waarde SV (alleen wanneer de optie aanwezig is). Het regellus breuk detectie alarm kan door diverse externe verstoringen valse alarmeringen geven. Om dit te voorkomen kan met deze parameter een band in °C rond de gewenste waarde (setvalue SV) worden ingesteld zodat deze valse alarmen worden voorkomen. Standaard waarde is 0°C (geen dode band).
Instellingen voor PID regelaars met een tijd-proportionele regeluitgang

De volgende parameters zijn voor het verbeteren van het regelgedrag door betere afstelling van de tijd-proportionele regeluitgang (bij heat/cool regelaar: alleen de verwarmingskant) zoals een relaiscontact of voltage pulse. Bij een analoge regeluitgang (bijvoorbeeld 4-20mA) worden deze instellingen niet gebruikt:

  • r: proportionele cyclustijd (verwarmingskant) in seconden. Dit is de cyclustijd in seconden voor de aansturing van een tijd-proportionele regeluitgang, zoals een voltage pulse voor de directe aansturing van een solid state relais (SSR: zet het dan op de minimaal mogelijke waarde) en relaiscontacten (stel dan 10-20sec in om schade door te snel schakelen te voorkomen). Een analoge regeluitgang (bijvoorbeeld 4-20mA) heeft geen instelling voor deze proportionele cyclustijd.
  • Mr: minmale aan/uit tijd voor de proportionele cyclus (verwarmingskant) in msec. Om schade aan elektromechanische relais te voorkomen door ze te kortstondig in te schakelen is het mogelijk om een minimale tijd in te stellen dat de regeluitgang actief is. Standaard waarde is 0 msec.
Minimale/maximale limitering van de regeluitgang
  • oLH: maximale begrenzing voor de regeluitgang (voor heat/cool regelaar: heat-zijde maximale uitgang limiet) in %. Deze waarde limiteert de regeluitgang op een maximale waarde. Standaard waarde is 105.0%
  • oLL: minimale begrenzing voor de regeluitgang (voor heat/cool: cool-zijde maximale uitgang limiet) in %. Deze waarde limiteert de regeluitgang op een minimale waarde. Standaard waarde is -5.0% (voor heat/cool: 105.0%)
Extra instellingen voor de tijd-proportionele regeluitgang van een heat/cool PID regelaar

De volgende parameters zijn extra instellingen voor een tijd-proportionele regeluitgang van een heat/cool PID regelaar (wanneer aanwezig) en zijn vergelijkbaar met de r: proportionele cyclustijd en Mr: minimale aan/uit tijd voor de proportionele cyclus, maar nu voor de cool-zijde van de PID regelaar.:

  • t: proportionele cyclustijd (wanneer koeling aanwezig is: koel-zijde) in seconden. Dit is de cyclustijd in seconden voor de aansturing van een tijd-proportionele regeluitgang, zoals een voltage pulse voor de directe aansturing van een solid state relais (SSR: zet het dan op de minimaal mogelijke waarde) en relaiscontacten (stel dan 10-20sec in om schade door te snel schakelen te voorkomen). Een analoge regeluitgang (bijvoorbeeld 4-20mA) heeft geen instelling voor deze proportionele cyclustijd.
  • Mt: minmale aan/uit tijd voor de proportionele cyclus (wanneer koeling aanwezig is: koel-zijde) in msec. Om schade aan elektromechanische relais te voorkomen door ze te kortstondig in te schakelen is het mogelijk om een minimale tijd in te stellen dat de regeluitgang actief is. Standaard waarde is 0 msec.
Fijn-afstelling van het (temperatuur) meetsignaal

De volgende parameters zijn voor de fijn-afstelling van het (temperatuur) meetsignaal en het wegfilteren van storing op de temperatuur meting of feedback-potmeter van een servoklep:

  • Pb: PV bias in °C. Dit is een fijn-afstelling voor de meetingang (+/- temperatuur in °C) waarmee individuele verschillen tussen temperatuur sensoren kunnen worden gecompenseerd. Opmerking: let op met het gebruik van deze parameter. Deze waarde is niet voor het corrigeren van een defecte temperatuur sensor of verkeerde sensor bekabeling: in dat geval moet de sensor en/of de bekabeling altijd worden vervangen. De standaard waarde is +/- 0.0°C (geen compensatie)
  • dF: PV (meetingang) digitale filter in seconden. Deze waarde wordt gebruikt om storing op een meetingang weg te filteren. De standaard waarde is 1 (of 1.0) seconden. Let op: een te hoge waarde kan resulteren in een onstabiele procesregeling met een te hoge temperatuur over/undershoot.
Voorzichtig gebruiken: handmatige uitsturing van de regeluitgang

Voor testdoeleinden is het soms noodzakelijk om de regeluitgang handmatig aan te sturen. Zo kunnen bepaalde functies worden getest, of de feedback van het proces kan beter worden afgeregeld. Let op bij het gebruik van deze parameter omdat het proces nu zonder feedback van de meetingang wordt aangestuurd. Een grote temperatuur overshoot kan optreden die kan leiden tot een gevaarlijke situatie in Uw proces.

  • M-MV: manual manipulated output value (handmatige uitsturing regeluitgang) MV in %. Deze waarde in % van de regeluitgang is gebruikt als uitgangspunt, wanneer de PID regelaar wordt omgeschakeld van normale automatische PID regeling naar handmatige uitsturing. Standaard waarde is 0 (0.0) %: geen uitsturing van de regeluitgang.
Terugkeren naar het normale bediening display

De regelaar keert terug naar het normale bediening display:

  • automatisch: wanneer U gedurende een bepaalde tijd niet op de knoppen drukt
  • handmatig wanneer U tegelijkertijd op de SET en <R/S knoppen drukt
  • handmatig wanneer U de SET knop langer dan 2 seconden ingedrukt houdt.
Overzicht van alle mogelijke RB regelparameters die kunnen worden ingesteld met de regelaar in run modus (afhankelijk van geïnstalleerde opties)

Opmerking: het commentaar tussen de haakjes (bijvoorbeeld P 8-13) refereert naar meer gedetailleerde uitleg over de parameter in het instruction manual.

RKC Instrument PID parameters for RB Series temperature controller
Overzicht van alle instelbare parameters in de run modus (afhankelijk van opties). Zie hoofdstuk 8 in het instruction manual voor meer gedetaileerde uitleg
Instruction video: change PID control parameters
Extra tijdsafhankelijke parameters voor het aflopen van eenvoudige ramp/soak profielen

Opmerking: de volgende extra parameters zijn alleen zichtbaar wanneer desbetreffende tijdparameters zijn ingeschakeld (in de RB regelaar instellingen). Deze parameters kunnen worden gebruikt voor het aflopen van een eenvoudig ramp/soak temperatuur profiel met 4 temperatuur instellingen:

  • rMFS timer functie: deze parameter wordt gebruikt voor een simpel profiel in de RB regelaar. Standaard waarde is 0 (niet gebruikt):
    • standaard waarde 0 (geen timer functie)
    • 1: timer functie 1 (gebruik de gewenste temperatuur SV die is ingesteld bij SV selectie als om de regelaar in run te schakelen na het aflopen van de tijd)
    • 2: timer functie 2 (gebruik de gewenste temperatuur SV die is ingesteld bij SV selectie om de regelaar in stop te zetten na het aflopen van de tijd)
    • 3: timer functie 3 (koppel de gewenste temperaturen SV1 t/m SV4 voor een ramp/soak profiel en blijf met de laatste gewenste temperatuur door regelen met de regelaar in run modus na het aflopen van de timer tijd
    • 4: timer functie 4 (koppel de gewenste temperaturen SV1 t/m SV4 voor een ramp/soak profiel en stop de regelaar na het aflopen van de timer tijd
  • RPTS profiel herhalingen: met deze parameter kan het aantal keren worden ingesteld, dat het profiel van timer functie 3 of 4 herhaald moet worden. 9999=oneindig. Standaard waarde is 0 (geen herhaling)
  • SVRU: ramp up parameter (setting change rate limiter up). Met deze parameter kan de automatische toename van de gewenste temperatuur instelling in een ramp up profiel worden ingesteld in °C per tijdseenheid (hetzij minuten of uren: zie change rate limiter tijdseenheid in instruction manual P 8-136). Standaard waarde is 0 (ongebruikt: geen ramp up van gewenste temperatuur)
  • SVRd: ramp down parameter (setting change rate limiter down). Met deze parameter kan de automatische afname van de gewenste temperatuur instelling in een ramp up profiel worden ingesteld in °C per tijdseenheid (minuten/uren: zie change rate limiter tijdseenheid in instruction manual P 8-136). Standaard waarde is 0 (ongebruikt: geen ramp down van gewenste temperatuur)

Opmerking: in functie blok F70 kunnen de volgende extra parameters worden ingesteld:

  • SVRr: tijdseenheid (time unit) voor de ramp up/down parameters: temperatuur toename (change rate limiter up/down):
    • 0: standaard waarde: minuten. Dus ramp up/down instelling in °C/minuut
    • 1: uren. Dus ramp up/down instelling in °C/uur
  • rMU: tijdseenheid voor timer (time unit for timer):
    • 0: standaard waarde minuten:seconden
    • 1: uren:minuten

Retransmissie uitgang: (optionele) extra analoge uitgang voor MV, PV of SV

De RB regelaar kan worden voorzien van een optioneel extra analoog uitgang signaal dat gebruikt kan worden om de interne regeluitgang (MV, manipulated value) voor een modulerende brander naar de branderautomaat te sturen. Deze uitgang kan ook worden gebruikt om de gemeten waarde (PV, process value) of de gewenste temperatuur (SV, setvalue) naar andere instrumenten te sturen, bijvoorbeeld:

  • temperatuur recorders (gemeten/gewenste temperatuur, uitsturing regelaar)
  • 1 of meerdere slave regelaars van gewenste temperatuur voorzien (SV setvalue)
  • indicatoren op het besturingspaneel van een analoog proces signaal voorzien (regelaar uitsturing, gemeten/gewenste temperatuur)

Bij de bestelling van de RB regelaar dient de extra optie retransmissie uitgang gekozen te worden. Daarnaast moet het type analoge uitgang worden gespecificeerd. Dit kan zijn:

  • stroom uitgang: 0/4-20mAdc
  • spanning uitgang: 0/1-5Vdc, 0-10Vdc

Parameter groep F33 wordt gebruikt voor het instellen van de extra analoge retransmissie uitgang. Opmerking: deze extra retransmissie uitgang is optioneel en moet worden geselecteerd bij het bestellen  de regelaar.

Na het in stop zetten van de regelaar, en het mogelijk maken om engineering parameters aan te passen (ModE:0128), kunt U de instellingen voor de analoge retransmissie uitgang (parameter groep F33) wijzigen. Deze procedure wordt ook beschreven in hoofdstuk 5.1 Initial Setting van het instruction manual.

Instel procedure voor F33 optionele extra analoge retransmissie uitgang configuratie
  • Stop de regelaar door langer dan 4 seconden op de <R/S knop te drukken (alleen nodig als de groene lamp boven STOP niet is ingeschakeld)
  • Druk langer dan 4 seconden tegelijkertijd op  de SET en de <R/S knop. U krijgt nu toegang tot het F00 instelling menu voor de engineering parameters.
  • Druk op de /\ knop totdat F33 verschijnt (parameter groep voor het instellen van de optionele extra analoge retransmissie uitgang)
  • Druk SET: Ao verschijnt. Hier kan worden gekozen welke interne RB parameter naar de optionele extra analoge retransmissie uitgang moet worden gestuurd:
    • 0: regeluitgang (manipulated output value) MV1. Dit is de regeluitgang van de PID regelaar. Gebruik deze instelling voor een modulatie signaal van een branderbesturing in de FryManager applicaties.
    • 1: gemeten waarde (PV). Dit is de gemeten temperatuur. Deze selectie is de standaard waarde voor deze parameter
    • 2: gewenste waarde SV). Dit is de gewenste temperatuur.
  • Druk SET om de nieuwe waarde op te slaan. Daarna verschijnen andere parameters.
  • AHS: maximale uitgang waarde voor de retransmissie uitgang (output scale high). Met deze instelling kan het maximale uitgang signaal worden ingesteld (standaard waarde: maximaal limiet waarde voor ingang meetbereik):
    • bij regeluitgang MV waarde: instelbaar bereik van minimale instelling (transmission output scale low) tot +105.0%
    • bij gemeten PV of setvalue SV: minimale instelling (transmission output scale low) tot maximaal meetbereik (input scale high)
  • ALS: minimale uitgang waarde voor de retransmissie uitgang (output scale low). Met deze instelling kan het minimale uitgang signaal worden ingesteld (standaard waarde: minimaal limiet waarde voor ingang meetbereik):
    • bij regeluitgang MV waarde: -5.0% tot maximale instelling (transmission output scale high)
    • bij gemeten PV of setvalue SV: minimale waarde meetingang (input scale low) tot maximale analoge uitgang (transmission output scale high) 
  • AoFS: volle schaal instelling (full scale adjustment value). Let op bij het gebruiken van deze parameter. Deze waarde wordt gebruikt om afwijkingen tussen instrumenten te corrigeren: de maximale schaalwaarde kan hier worden ingesteld. Raadpleeg het instruction manual voordat U deze waarde gebruikt.
  • AoZR: nulpunt instelling (zero point adjustment value). Let op bij het gebruiken van deze parameter. Deze waarde wordt gebruikt om de afwijkingen tussen instrumenten te corrigeren: het nulpunt kan met deze waarde worden ingesteld. Raadpleeg het instruction manual voordat U deze waarde gebruikt.

Nadat U op SET heeft gedrukt bij de AoZR instelling, verschijnt weer de eerste parameter in de F parameterlijst.

Voor meer uitleg verwijzen we naar de gedetailleerde beschrijving van functieblok 33 op bladzijde 8-98 van het instruction manual.

Terugkeren naar het normale bediening display
  • Druk tegelijkertijd op SET en <R/S om terug te keren naar het normale bediening display.
  • Vergeet niet om de regelaar weer in run modus te schakelen door enkele seconden op de <R/S (run/stop) knop te drukken.
  • Vergeet niet om ModE weer terug naar 0000 te zetten zodat parameters niet per ongeluk kunnen worden aangepast.
Warmtevraag/heat-demand HD signaal voor brander modulatie

Voor een (modulerende) branderbesturing heeft U, naast dit analoge modulatie signaal, ook vaak een digitaal warmtevraag/heat-demand HD signaal nodig. Het optionele DO1 relaiscontact op de RB regelaar wordt hiervoor gebruikt.

Zie de parameter groep F41 voor het instellen van dit digitale uitgang signaal met relaiscontact DO1.

Opmerking: dit digitale uitgang signaal met het DO1 relaiscontact is optioneel en moet worden geselecteerd bij het bestellen van de RB regelaar.

RKC Instrument RB Temperature controller retransmisstion output configuration F33
Parametergroep F33 voor de konfiguratie van de extra optionele analoge retransmissie uitgang

Instellingen voor de (optionele) communicatie wijzigen

!!! BELANGRIJKE OPMERKING: NA HET WIJZIGEN VAN DE COMMUNICATIE INSTELLINGEN MOET DE REGELAAR WORDEN UITGESCHAKELD EN WEER INGESCHAKELD. ALLEEN DAN ZULLEN DE NIEUWE INSTELLINGEN WORDEN GEBRUIKT !!!

Na het in stop zetten van de regelaar, en het mogelijk maken om engineering parameters aan te passen (ModE:0128), kunt U de instellingen voor de communicatie (parameter groep F60) wijzigen. Deze procedure wordt ook beschreven in hoofdstuk 5.1 Initial Setting van het instruction manual.

Zie voor meer informatie omtrent de parameters en de ModBUS adressering het communication manual (zie link bovenaan de pagina)

De communicatie interface is een optie die moet worden aangegeven in de bestelling van de RB regelaar.

Instel procedure voor F60 communicatie configuratie
  • Stop de regelaar door langer dan 4 seconden op de <R/S knop te drukken (alleen nodig als de groene lamp boven STOP niet is ingeschakeld)
  • Druk langer dan 4 seconden tegelijkertijd op  de SET en de <R/S knop. U krijgt nu toegang tot het F00 instelling menu voor de engineering parameters.
  • Druk op de /\ knop totdat F60 verschijnt (parameter groep voor het instellen van de communicatie parameters)
  • Druk SET: CMPS  verschijnt. Dit is de parameter voor de selectie van het communicatie protocol (de standaard waarde is gebaseerd op de model code, het juiste type protocol kan worden gekozen met door de juiste modelcode te bestellen):
    • 0: RKC ASCII communicatie protocol
    • 1: ModBUS: dit is de juiste selectie voor vrijwel alle CasCade applicaties (bijvoorbeeld de FryManager)
  • Druk SET om de nieuwe waarde op te slaan. Daarna verschijnen andere parameters.
  • Add: communicatie adres. Standaard waarde 0 (RKC communicatie) en 1 (ModBUS). Bij ModBUS kan 0 niet worden ingesteld. (Opmerking voor FryManager applicatie: instellen op 2, omdat adres 1 de Resideo branderbesturing is)
  • bPS: communicatie snelheid:
    • 0: 2400 bps
    • 1: 4800 bps
    • 2: 9600 bps
    • 3: 19200 bps (dit is de standaard waarde, en ook de juiste waarde voor FryManager applicaties)
  • bIr: data bit configuratie (alleen de daadwerkelijk gebruikte instellingen worden in detail beschreven):
    • 0: 8 databits, geen pariteit, 1 stopbit (8N1). Dit is de standaard instelling: 8N1 (wordt voor alle applicaties, behalve de FryManager, gebruikt)
    • 1: 8N2
    • 2: 8 databits, even pariteit, 1 stopbit (8E1, dit is de juiste instelling voor FryManager applicaties). Dit was noodzakelijk, omdat de Resideo branderbesturing ModBUS communicatie alleen met deze instellingen werkt.
    • 3: 8E2
    • 4: 8O1
    • 5: 8O2
    • 6: 7N1 (niet selecteerbaar voor ModBUS, alleen RKC protocol)
    • 7: 7N2 (niet selecteerbaar voor ModBUS, alleen RKC protocol)
    • 8: 7E1 (niet selecteerbaar voor ModBUS, alleen RKC protocol)
    • 9: 7E2 (niet selecteerbaar voor ModBUS, alleen RKC protocol)
    • 10: 7O1 (niet selecteerbaar voor ModBUS, alleen RKC protocol)
    • 11: 7O2 (niet selecteerbaar voor ModBUS, alleen RKC protocol)
  • Inr: interval tijd van de communicatie (msec). Standaard waarde is 10 msec (ook gebruikt bij de FryManager applicaties)
  • CMRM: communicatie storing. Bij 2 of meer storingen, worden de getallen van de storingen opgeteld:
    • 0: normaal antwoord (geen storing, dit is ook de standaard waarde)
    • 1: overrun storing
    • 2: pariteit storing
    • 4: formatering storing (framing error)
    • 8: ontvangst buffer overloop storing (receive buffer overflow)

Nadat U op SET heeft gedrukt bij de CMRM instelling, verschijnt weer de eerste parameter in de F parameterlijst.

Vergeet niet om de spanning op de regelaar uit te schakelen en weer in te schakelen, anders worden de nieuwe instellingen niet gebruikt!

Voor meer uitleg verwijzen we naar de gedetailleerde beschrijving van functieblok 60 op bladzijde 8-133 van het instruction manual alsmede het communication manual (zie link bovenaan de pagina).

Terugkeren naar het normale bediening display
  • Druk tegelijkertijd op SET en <R/S om terug te keren naar het normale bediening display.
  • Vergeet niet om de regelaar weer in run modus te schakelen door enkele seconden op de <R/S (run/stop) knop te drukken.
  • Vergeet niet om ModE weer terug naar 0000 te zetten zodat parameters niet per ongeluk kunnen worden aangepast.
RKC Instrument RB series controller communication settings F60
Parametergroep F60 voor de konfiguratie van de communicatie interface

COM-KG configuratie/communicatie interface

Met de COM_KG kunt U RKC Instrument instrumenten via de USB poort aan Uw Windows PC koppelen.

Kan ook gebruikt worden als een generieke USB naar RS-485/422 interface.

Vergeet niet de juiste kabel voor Uw specifieke RKC Instrument apparatuur te specificeren bij het bestellen. Zie meer informatie voor details.
– Brochure COM_KG
Instruction manual COM_KG